Dit is alweer het laatste blogje over mijn reis door Japan en Vietnam, want spoedig zal ik naar ons prachtige Nederland terugkeren. Het Wilhelmus staat al in mijn afspeellijst. Maar nu zit ik nog op bed in ons hotel in Ninh Binh, een heel mooi natuurgebied een aantal kilometers onder Hanoi. Voordat we hierheen kwamen, hebben we eerst nog een aantal dagen doorgebracht op het eiland Cat Ba. En zodra we daar aankwamen, kwam ik erachter dat Vietnam werkelijk een van de mooiste plekken is waar ik ooit ben geweest.

Kronkelende bergweggetjes, prachtige uitzichten over helderblauw water en grote, ronde rotsen en bergen, begroeid met donzig groen. Palmbomen en lichtgroene planten met enorme bladeren groeien overal, waardoor je constant het gevoel hebt alsof je midden in de jungle loopt. De meren en rivieren zitten vol met waterbuffels (een soort grijs koe-achtig geval met hoorns) en overal om je heen klinkt het gezoem van insecten, het oorverdovende gesjirp van krekels en het gekrijs van vreemdsoortige vogels.

Over de wegen lopen afwisselend ganzen, koeien, honden en paarden – wild, maar totaal onverschillig voor auto’s, scooters of bussen. Wij hebben zelf ook een scooter gehuurd voor een paar dagen, waarmee we heerlijk de omgeving konden verkennen zonder kostbare energie te verspillen. We reden door de schitterendste landschappen: over verlaten paadjes langs het water, rijstvelden die bewerkt werden door boeren met punthoeden en via tunnels dwars door enorme rotsen heen. We zijn naar verschillende stranden geweest, die helaas meestal wel als enige andere gasten Aziatische mannen hadden, die allemaal blijkbaar niks anders te doen hadden dan naar mij staren terwijl ik probeerde ongezien de zee in te trippelen. We hebben in een super lieflijke baai gezwommen, omgeven door rotswanden.

Naast doelloos rondrijden en stranden bezoeken was er echter niet bijster veel te beleven op Cat Ba, dus besloten we een boottour naar de beroemde Ha Long Bay te nemen. De boot bleek super luxe en onze medepassagiers verrassend aardig en normaal. We kregen een heerlijke lunch bestaande uit van alles en nog wat (een hele vis met alles erop en eraan, gestoomde groenten, aardappelen, rijst, loempia’s, tofu, salade, vers fruit…) en kletsten ondertussen met de Verrassend Aardige en Normale Medepassagiers. En het uitzicht was gewoonweg geweldig. Ha Long Bay was precies zo mooi als bepaalde James Bondfilms je doen geloven, met zijn knalblauwe water waar overal en nergens grote rotsblokken uit oprijzen. We kwamen langs een drijvend dorp, dat daar geheel autarkisch onderhouden wordt; de meeste inwoners komen geen enkele keer in hun leven op het vaste land. Dat hoeft ook niet, want ze hebben daar alles: internet, tv (allemaal op zonne-energie) en zelfs een supermarktboot! Ze maken hun eigen medicijnen door slangen en zeepaardjes te vermengen met alcohol – en dat drinken ze dan op. Het was ongelofelijk om te zien hoe deze mensen leven, en dat zoiets nu nog kan bestaan überhaupt.

En toen kwam het moment dat de tourguide ineens een paar zwemvesten tevoorschijn haalde en vrolijk aankondigde dat het nu tijd was voor het canyoningen, een sport waar ik als de dood voor ben en die ik gehoopt had nooit te hoeven beoefenen in mijn leven. Maar men stond erop dat ik mijn leven zou gaan wagen in een klein bootje midden op zee en bovendien in de brandende zon voor een tijdsperiode van een paar uur, dus dat heb ik toen maar gedaan. En oja, wist de gids er nog snel tussen te proppen, of er iemand last had van claustrofobie? We gingen namelijk door een paar grotten heen varen, die zo laag waren dat je plat in je bootje moest gaan liggen om niet aan flarden gescheurd te worden door de puntige rotswanden, die overigens vol zaten met spinnen, grapte de extreem humoristische gids. Als hij niet duivels had gegrinnikt bij deze woorden, had ik mezelf overboord geworpen om dan maar als maal te dienen voor de vele gevaarlijke kwallen en vissen die daar blijkbaar zaten. Ik heb het wel overleefd dus dat is fijn. Kan alleen niet zeggen dat ik er een nieuwe hobby bij heb.

Na een paar dagen op het eiland doorgebracht te hebben, zijn we dus naar Ninh Binh gegaan, op aanraden van onze host van Airbnb. En dat bleek een goede keus, want dit valleidorp is precies zoals ik me de natuur van Vietnam had voorgesteld, alleen dan nog mooier. We hebben de ene na de andere tempel/pagode/kasteel/oude stad bezocht, allemaal even prachtig en groots en vol met goud en boos kijkende samoeraibeelden en sereen kijkende boeddha’s.

We zijn door hele tempelcomplexen heen gelopen, bestaande uit een stuk of 5 tempels, tuinen en muren en torens vol met beelden. En ongeveer een miljoen altaren, allemaal uitgerust met enorme hoeveelheden eten en drinken en nepgeld en alle andere dingen die de overledenen eventueel nodig zullen gaan hebben in het hiernamaals. Ik vond het zo gek om te zien dat mensen hier echt torens bouwen van waterflesjes en koekjes op een altaar, zodat de doden niet zullen verhongeren. Er is hier zo veel cultuur dat je er haast in omkomt. En alles is hier zo goedkoop, dat je zelfs na het bezoeken van al die tempels e.d., nog steeds meer dan genoeg geld overhebt om je drie keer per dag compleet vol te proppen met noedels, rijst, loempia’s, pancakes en mango smoothies. En ik weet dat ik nu klink als een gierige Hollander, maar dat ben ik ook.

Ik heb zo’n geweldige tijd gehad de afgelopen vijf weken, en ik ben super dankbaar dat ik de kans heb gehad om een stukje meer van de wereld te ontdekken.

Reacties  

# Lien 23-08-2019 17:42
Wat een mooi verhaal. Jammer dat het nu afgelopen is...
Antwoorden | Antwoorden met citaat | Citeer

Plaats reactie


Blijf op de hoogte!