Inmiddels zijn we alweer in Vietnam, en heb ik nog helemaal niet verteld wat we al die weken in Japan hebben zitten doen. Daarom, en misschien kun je het al raden, ga ik dat nu doen.

Nadat we uit Tokyo vertrokken, zijn we naar Omachi gegaan, een of ander dorpje in een dal waar jullie ongetwijfeld nog nooit van hebben gehoord, en dat is met een reden. Er is namelijk geen flikker te doen. Wij hadden daar geen last van, want we verbleven bij twee oude Japanse mensjes, waarvan de een ons elke dag met speciale handschoentjes aan in zijn auto naar onze gewenste bestemming reed, om ons aan het eind van de dag ook weer op te halen. Zo hebben we een tocht gemaakt in de bergen, onszelf eerst heel heldhaftig in skiliften naar boven werkend (we waren zo hoog dat we op ijs konden lopen); hebben we op een avond een lokaal zwembadje bezocht, waar een paar oude mensen hun wateroefeningen deden en met ons roddelden in het bubbelbad; en zijn we in een prachtig natuurgebied beland waar we langs drie meren hebben gelopen, hier en daar een verdwaalde visser spottend, die in een bootje zat te hengelen. Als we ’s avonds dan weer bij de wood cabin in de middle of nowhere aankwamen, stond het vrouwtje ons buiten op te wachten met haar armen gespreid, onze schone was wapperend aan de lijn en een heerlijk geurend maal op het vuur. Dan keken we naar huilende Japanners op tv, of de Japanse versie van Lion King. Tijdens het eten spraken onze hosts zacht en geconcentreerd in een vertaalapparaatje, dat ons dan met een laconieke, gladde vrouwenstem meedeelde dat de route die wij die dag hadden gelopen ook erg populair was onder de beren. En dan dankten wij God op onze blote knieën dat wij er geen tegen waren gekomen. Ik moet zeggen dat ik erg onder de indruk was van dat vertaalding trouwens, ook al deed hij niet altijd wat de bedoeling was. Zo liet het geen kans lopen om hard en duidelijk de woorden “dangerous dangerous dangerous” te galmen, midden in een doodnormale conversatie. Waarop wij ons uiterste best moesten doen om niet te lachen, terwijl de oude man ons simpelweg probeerde duidelijk te maken waar de handdoeken lagen.

Na vier dagen in Omachi zijn we doorgereisd naar toeristenfuik Takayama, waar we in een hostel sliepen. Het dorp zelf was niet per se de geweldigste plek op aard, vooral omdat er meer buitenlanders waren dan Japanners, maar het hostel was verrassend genoeg echt de chillste plek waar we tot nu toe hebben geslapen. ’s Avonds maakten we zelf ons eten in de gezellige keuken, waar we gesprekken voerden met het personeel en andere reizigers. We aten we in een mooi ingerichte, typisch Japanse eetkamer. We sliepen op een slaapzaal, maar ons bed was groot en af te sluiten met een dik gordijn dat helemaal geen licht doorliet. ’s Ochtends sleepte ik mezelf om 8 uur uit bed, puur en alleen omdat er beneden verse koffie klaarstond die misschien wel op zou raken als ik niet snel was. Tevreden met mijn buit wachtte ik daarna op B, mezelf ingravend in de kussentjes op de bank in de chillruimte, naast een boekenkast met verfomfaaide romans uit allerlei landen die daar waren achtergelaten door reizigers. Zoals ik al zei was Takayama niet heel bijzonder, afgezien van de enorme second hand store die helemaal volhing met merkkleding en –tassen (en dan bedoel ik dus Gucci en Louis Vuitton). Maar wij namen gewoon de bus naar het beroemde natuurgebied Kamikochi, dat daar in de buurt lag, en waar we per ongeluk ons knuffelkonijntje in de rivier hebben gegooid. Gelukkig kon ‘ie zwemmen.

Ook Kamikochi stikte van de toeristen, maar ook van de apen, die met hun duivelse oogjes in hun rode gezicht woedend naar ons opkeken wanneer ze ons passeerden, en als er niet zo veel mensen waren geweest was ik oprecht bang geweest dat ze ons met huid en haar zouden verslinden. Je zou denken dat we toen wel zouden hebben ingezien dat de Japanse natuur misschien niet honderd procent veilig was voor onschuldige stakkers als wij, maar toch besloten we een paar dagen later met zijn tweeën af te reizen naar een Onbekend Oord waar nog nooit een sterveling van heeft gehoord en waar de bussen eens per eeuw gaan, om een voettocht te ondernemen naar een Nietszeggende Waterval, die heel mooi bleek te zijn, dat moet gezegd. We kwamen een groep Suïcidale Jongens tegen die van plan waren zich van allerlei kliffen af te werpen. B was er nog bijna achteraan gesprongen. Helaas kreeg ik prompt evenwichtsorgaanproblemen, die ertoe leidden dat ouders van de groep Suïcidale Jongens medelijden kregen en ons voedden met een soort slappe, zoetige broodstengels. Met hernieuwde krachten begonnen wij de groep te volgen, die ervaren wandelaars schenen en een leuke route wisten door de bergen, langs nog meer watervallen. Little did we know, dat wij ons langzaam een berenbos inwerkten. Toen we ineens tussen de bamboe liepen en bordjes begonnen te onderscheiden met daarop angstaanjagende afbeeldingen van grote bloeddorstige beren, was het al te laat om om te keren, maar in ieder geval hadden we gezelschap van een aantal Ervaren Bergbeklimmers, zo dachten wij. Dus liepen we door, zonder succes de groep aansporend om het tempo op te voeren, terwijl de moeder van de Suïcidale Jongens ons op vrolijke wijze vertelde dat zij nog nooit eerder een wandeling hadden gemaakt door de Japanse Alpen, en oh ja, wisten wij toevallig wat je moest doen als je een beer tegenkwam? En wist je trouwens dat er dit jaar veel meer ongelukken met beren waren in Japan? That is, als je niet eerst al was bedolven onder een modderstroom. Maar dat laatste kwam alleen voor als het regende, zei ze, terwijl de eerste druppels al uit de lucht begonnen te vallen en in de verte een donderslag klonk. En nog was de groep niet te motiveren ook maar een fractie harder te gaan lopen. Na een zenuwslopende tijd van angstig trippelen, hard schreeuwend en zingend om de beren op afstand te houden en boven het gedonder uit te komen, bereikten wij heelhuids weer de enigszins bewoonde wereld, waar wij ontdekten dat de bus niet meer reed en het nog 100 uur lopen was langs een snikhete snelweg om bij het treinstation te komen. Het enige gebouw dat daar stond was een spa, waar we desperaat binnenstrompelden om hulp te vragen. Helaas had het personeel nog nooit van de taal Engels gehoord, dus stormden wij woedend de spa weer uit, ons noodlot tegemoet. Toen we echter 5 minuten aan het lopen waren, werden we ineens geschaakt door een auto met daarin een spamedewerkster, die ons duidelijk maakte dat ze ons naar het station ging brengen. Dankbaar stapten we in, hopend dat we de volgende trein dan misschien wel konden halen, maar de auto van de spamedewerkster bewoog zich tergend langzaam over de weg, en tegen de tijd dat we bij het station aankwamen, zagen we de trein voor onze neus wegrijden en moesten we nog twee uur wachten op de volgende. Lichtpuntje was dat we die nacht sliepen in een heuse tempel, waar we het personeel echter niet erg aardig vonden en daarom besloten we onze situatie uit te buiten en alle gratis handdoekjes, tandenborstels en andere sanitaire voorzieningen mee te nemen, net zoals Ross in Friends.

Inmiddels waren we wel een beetje klaar met de natuur, dus besloten we het volstrekt onbekende dorpje Gujo Hachiman, dat als enige highlight ‘het ontstaan van plastic voedsel’ had, te schrappen als volgende bestemming, en in plaats daarvan naar Osaka te gaan. Een goede beslissing, want Osaka bleek een geweldige stad te zijn, nog indrukwekkender dan Tokyo wat betreft wolkenkrabbers, en daarbij ook nog een stuk uitgelatener. In Tokyo waren bijvoorbeeld totaal geen hangjongeren te bekennen, en nergens graffiti, en in Osaka wel. Eigenlijk is Osaka een soort Berlijn op z’n Aziatisch. En ze hebben er een Amerikaanse wijk, met een klein Vrijheidsbeeld en alles, dus ik was sowieso al tevreden.

We waren maar kort in deze stad, en al snel was onze tijd daar om en gingen we naar Kyoto, onze laatste bestemming in Japan. Hier waren we bijna een week en we hebben een ware cultuur overload gehad. In Kyoto zijn namelijk ongeveer honderdduizend tempels, en dan heb ik het nog niet eens over de musea, beroemde huizen, kastelen, parken, tuinen en relieken. En ik wilde het allemaal zien. Dus maakte ik strakke dagplanningen, waar we ons meestal keurig aan hielden.

We hebben zo veel mooie dingen gezien, en zo veel geisha’s met selfiesticks (blijken stiekem ook gewoon aan foto’s verslaafde Insta-neppers te zijn), dat we toen we eenmaal op weg gingen naar Osaka airport, we wel toe waren aan een nieuw land. Helaas zijn wij domme naïeve kleuters die niets snappen van deze wereld, en daarom belandden we heerlijkjes op de verkeerde luchthaven, in de veronderstelling dat een stad toch niet meer dan 1 vliegveld zou hebben. Osaka heeft er vier. Dus moesten we op het laatste moment ineens nog een uur met de bus om onze vlucht te halen, maar uiteraard was het juist die dag extreem druk op de weg, dus hadden we al met al nog maar drie kwartier om op een voor ons totaal onbekende luchthaven in te checken, door de douanen te gaan, door de paspoort- en visacontrole te gaan en op het juiste vliegtuig te stappen voordat de gate dichtging. Wederom is het ons gelukt, vraag me niet hoe, maar ik weet wel dat er een hoop geren aan te pas kwam. En nu zitten we dus in Vietnam. Maar dat, lieve kinderen, is een verhaaltje voor de volgende keer.

Reacties  

# Lien 13-08-2019 19:58
Wat een mooie foto's! En wat schrijf je leuk, super grappig en mooi tegelijk.
Antwoorden | Antwoorden met citaat | Citeer
# Ben 18-08-2019 17:20
Wat een beregoed verhaal zeg! Je beschrijft het allemaal weer levensecht, complimenten hoor!
Antwoorden | Antwoorden met citaat | Citeer

Plaats reactie


Blijf op de hoogte!